De Elba (lang)

De Elba (lang)

Boerderij Elba
Boerderij Elba was een wit gebouw, omringd door een gracht met daar overheen een houten bruggetje. Langs de gracht stonden knotwilgen. Dat hebben we kunnen opmaken uit het interview met mevrouw N. op ’t Holt die in 1930 op Elba was geboren voordat de familie Kolstein de boerderij pachtte. Ook is het te zien op foto’s en tekeningen die we nog hebben kunnen bemachtigen via de familie Kolstein. Volgens mevrouw Op ’t Holt was het een behoorlijke boerderij, hoewel je dat op grond van de afbeeldingen niet meteen zou zeggen.

In 1466 was Elba eigendom van het klooster te Warffum en in de 16e eeuw kwam het in bezit van de Onsta’s, één van de machtigste families in de Ommelanden. Toen de eerste officiële pachter Wigger Jansen op Elba kwam wonen, werd de boerderij omgedoopt tot Sassemaheerd. Vanaf de 18de eeuw werd het de naam Sappemaheerd. (schrijffoutjes van ambtenaren).

De witgekalkte boerderij dankte haar naam aan het eiland Elba waar Napoleon tijdens zijn  eerste ballingschap verbleef. Het gebouw stond eenzaam te midden van de Groningse weilanden, met twee lindebomen aan de voorkant van het huis en twee aan de zijkant. De boerderij was moeilijk te bereiken, vooral in het najaar en de winter. De woning bestond uit een relatief grote woonkamer, twee, later drie slaapkamers, een keuken met een bedstee, een kelder en een zolder. Verder was er een inpandige schuur met een stalruimte voor zes dieren.

Van Elba zijn nog maar weinig afbeeldingen te vinden. Volgens Jannie Kolstein leek de boerderij een iets grotere versie van boerderij Harssenbosch. Deze boerderij, voorheen een bouwval, is opgeknapt dankzij subsidie van de EU. Gerard Kolstein wist te vertellen dat Elba ongeveer 12 meter lang was en 8,5 meter breed. Mevrouw Op ’t Holt woonde vier jaar op Elba met haar zusje en ouders  voordat ze in 1934 verhuisde naar een boerderij in Noorderhoogebrug. De kleine boerderij werd verpacht met een ha. landbouwgrond, deels weiland en deels akkerland.

Elba was begin jaren vijftig nog niet aangesloten op het elektriciteitsnetwerk; de woning werd daarom verlicht met petroleumlampen en verwarmd met een kachel waarin cokes, briketten en eierkolen werden gestookt. Op deze kachel werd in het begin ook gekookt. De wettelijke eigenaren van boerderij Elba waren de ongehuwde gezusters Barkema, die in Roden woonden. Broer Harm Barkema, eigenaar van boerderij de Bovenstreek (de huidige Framaheerd) behartigde de belangen van de gezusters in de omgeving.

Deze Barkema was eigenaar van een gemengd boerenbedrijf. Hij verbouwde gewassen en hield dieren. Zijn weilanden lagen ten westen van de Bovenstreek en ten oosten van Elba. De bouwlanden lagen ten oosten van de Bovenstreek, in de richting van Noorddijk. De boer had zeven zonen waarvan er twee, Geert en Tonnis Barkema, op het bedrijf van hun vader werkten.

Het gezin Kolstein
De tijd waarin Geert, Gerard, Hendrik Jan en de zussen Jannie, Mattie en Jantien als kinderen op de boerderij Elba woonden (van november 1951 tot 1965), was interessant maar ook moeilijk. De kinderen hadden te maken met barre omstandigheden als gevolg van gebrekkige voorzieningen of slecht onderhoud van de boerderij. Het tochtte in huis aan alle kanten; in de winter voelde het soms alsof er een Siberische sneeuwstorm door het huis raasde. Maar gelukkig was vader Job Kolstein een handige man die er snel bij was om het huis op te knappen en te vertimmeren.

Gerard Kolstein weet zich nog goed te herinneren dat hij, bij bezoeken aan het primitieve toilet achter in het huis, in het licht van de petroleumlamp ratten zag lopen over de balken langs de muren. Een groot deel van het inkomen werd in de eerste jaren besteed aan het bewoonbaar houden en zo mogelijk leefbaarder maken van de woning.

Petroleumlampen werden na te lang branden heet en als de familie dat niet op tijd doorhad kwam er een zwarte oliewalm vanaf die de hele woonkamer smerig maakte. Vooral  in het begin hadden de gezinsleden moeite om dit in de gaten te houden en moesten ze vaak schoonmaken. Vooral moeder vond dit heel vervelend. Vader en moeder sliepen in de slaapkamer naast de woonkamer. De meisjes sliepen in een tweede, iets kleinere, slaapkamer. De jongens brachten de nachten door in de bedstee in de keuken en pas later in een slaapkamer die op een van de koestallen was bij getimmerd. Pas rond 1960 werd het boerderijtje aangesloten op het elektriciteitsnetwerk.

De kinderen gingen eerst naar de Groen van Prinstererschool en later naar de gereformeerde dr. Herman Bavinckschool bij de Hamburgervijver.  Ze moesten door drie weilanden lopen en over hekken klauteren om de Korrebrug (de huidige Gerrit Krolbrug) te bereiken. Met laarzen aan gingen ze dwars door de weilanden, waar de schapen, koeien en paarden van boer Kamps en de gebroeders Uitham graasden. Als die dieren nieuwsgierig kwamen kijken naar de passanten werden ze met een fikse klap op hun achterste door de jongens weggejaagd,  omdat de meisjes bang waren voor de beesten.

De Korrebrug werd tijdens de Tweede Wereldoorlog vernield, net als sommige andere bruggen in de omgeving. Om toch bij de Bavinckschool te komen, konden de kinderen gebruik maken van de diensten van brugwachter Kiel, die hen met zijn roeiboot naar de overkant van het Van Starkenborghkanaal bracht. In een later stadium is de Korrebrug gerepareerd.

Er liep een onverhard pad van Elba naar de Beijumerweg, door de weilanden, langs sloten en via drie hekken. Jannie Kolstein, de oudste zus, herinnert zich dat ze altijd laarzen meenam als ze naar de stad ging voor haar werk of  ’s avonds voor een cursus. Eenmaal aangekomen op de (verharde) Beijumerweg, verving ze deze dan weer door schoenen.

Het draaihek aan de Beijumerweg hing aan een dikke paal waar een nis inzat die als brievenbus dienst deed. Toen al lagen er veel woonboten in het Boterdiep langs de Beijumerweg. Tegenover het hek van Elba lag bijvoorbeeld de boot van de familie Rink, en even verderop die van de familie Tuitman.

Boerentrienen
In die tijd hadden vooral de meisjes Kolstein er een hekel aan om op het platteland te wonen. Van jongs af aan waren ze gewend om in een ‘gewoon’ rijtjeshuis te wonen, in Oosterhoogebrug. Nu werden ze door de stadskinderen uitgescholden voor boerentrienen en hadden ze vaak kleverige Groningse klei aan hun klompen of schoenen en soms op hun kleren. Ook mevrouw Op ’t Holt wist te vertellen dat ze vaak voor boerentrien werd uitgemaakt.

Jannie’s moeder mopperde ook wel  eens dat ze het niet zo leuk vond op Elba, vooral niet in de winter. Niet alleen lag de boerderij ver van de bewoonde wereld, maar ook moesten de kinderen telkens weer door het weiland en via modderpaden naar school. Als ze met de fiets gingen, moesten ze via het onverharde paadje naar de Beijumerweg en langs drie landhekken die in de weilanden stonden als afscheiding voor het vee.

Maar als het dan weer lente en zomer werd, veranderde moeders humeur en vond ze het toch prachtig om zo landelijk te wonen.  Het uitzicht was fenomenaal. Ze keek via de landerijen uit op de portiekwoningen aan de West-Indische Kade, aan de overkant van het Van Starkenborghkanaal. Bij helder weer kon de familie zelfs de tijd aflezen op de klok van de Sionskerk aan de Korreweg. Aan de andere kant hadden de Kolsteins uitzicht op de boerderijen van Akkerman en Hettema aan de Pop Dijkemaweg in Oosterhoogebrug. Het Selwerderdiepje (de oorspronkelijke Hunze) liep via de Korrebrug naar de kalkovens in Noorderhoogebrug en mondde verderop via de Koningslaagte uit in wat nu het Reitdiep heet.

“Het was soms toch een mooie tijd” vertelt Jannie, die op dit moment samen met haar man als vrijwilliger werkt bij het Groninger Landschap. Ze herinnert zich nog goed de ochtendwandelingen die ze als kind maakte door de velden naar de Beijumerweg. De koppen van de koeien staken net boven de mist uit en de leeuweriken vlogen in groten getale door de lucht. Ook herinnert ze zich dat haar moeder opgetogen was als de lente was begonnen en dan prachtige liederen zong die ze op de zangvereniging had geleerd, terwijl ze driftig de was deed in de wastobbe.

Taakjes
Taakjes binnen het gezin werden veelal door de jongens gedaan. Naar de bakker en slager gaan in de stad Groningen en met een emmer melk halen boer Barkema. De melk werd in die tijd in twee fases gemolken. Eerst werden de melkkoeien van boer Barkema voorgemolken; deze melk, met een relatief laag vetgehalte, was bestemd voor eigen gebruik en voor de gezinnen van zijn arbeiders. Ook de jonge kalveren kregen deze melk. De overige, vettere melk werd aan de melkfabriek geleverd.

Als het water in de regenbak aan de rechter achterkant tegen de woning leeg was, moest er vers water gehaald worden bij brugwachter Hoving  aan de Beijumerweg, of bij de familie Ter Laan achter de kalkovens aan het Boterdiep. De heer Ter Laan werkte bij die kalkovens van de firma Mees. Zijn huis was wel aangesloten op de waterleiding, omdat ze aan een verharde weg woonden. De ene keer was het Geert, de andere keer Gerard, die met een zelfgemaakte handkar met daarop twee melkbussen, water ging halen, door de weilanden en langs de drie hekken.

Eten koken gebeurde op butagas. Wekelijks moesten de jongens om de beurt die butagasflessen met de fiets ophalen  bij de familie Woltil aan de Wolddijk in Noorderhoogebrug.

Regenwater werd voor alle dingen gebruikt waarvoor we tegenwoordig leidingwater kunnen gebruiken, dus drinken, koken en wassen. Je kunt je natuurlijk voorstellen dat vooral in de zomer de hoeveelheid  water uit de regenbak beperkt was en dat er dan vaak tripjes naar de familie Ter Laan gemaakt moesten worden. Het water uit de oude pomp in  de achtertuin was niet geschikt voor huishoudelijk gebruik, laat staan om te drinken.

De dubbele wit-en-grijsgekleurde kalkovens aan het Boterdiep waren in die tijd volop in gebruik. Er meerden zo nu en dan grote binnenvaartschepen af om grote hoeveelheden kleine schelpen uit de Waddenzee via een transportband naast de kalkovens te deponeren. Na verbranding in de ovens bleef er dan ongebluste kalk over die handmatig uit de ovens moest worden geschept.

Vader Kolstein
Vader Job Kolstein verdiende in de beginperiode op Elba de kost als vrachtwagenchauffeur bij de vervoersonderneming ‘de Hunzeboten ’ aan de Oosterhamrikkade, en zag in het bewonen van boerderij Elba een prachtkans om een extra bron van inkomsten te creëren voor zijn gezin. De vrachtwagens waarmee hij reed waren naoorlogse modellen die niet harder reden dan 50 kilometer per uur: een rit naar bijvoorbeeld Rotterdam kon zo wel een hele dag duren. Tijdens schoolvakanties nam hij de jongens wel eens mee; die vonden dat natuurlijk prachtig.

Toen het gezin Kolstein naar Beijum/Noorderhoogebrug verhuisde en boerderij Elba huurde voor 300 gulden per jaar, mocht vader Kolstein de vrachtwagen van zijn toenmalige baas gebruiken om de huisraad van het ouderlijk huis aan de Pop Dijkemaweg nr. 24 in Oosterhoogebrug naar het erf van boer Barkema over te brengen. Dat was in november, met stormachtig en nat weer. Uit angst dat de vrachtwagen vast zou komen te zitten in de drassige velden werd besloten om alles met paard en wagen naar Elba te brengen.

De combinatie van het vele werk op de boerderij en zijn vaste baan pleegde  een aanslag op de gezondheid van vader Kolstein. Hij hield in de inpandige stal van het huis een paar nuchtere kalveren, en soms stierkalveren die later weer verkocht werden. De kalveren werden o.a. gevoederd met de geitenmelk van de melkgeiten die op het land liepen en met krachtvoer van molenaar Van Wijngaarden van de Wilhelminamolen in Noorderhoogebrug.  Diezelfde bittere geitenmelk werd ook gebruikt door moeder Jantje Kolstein om er chocolademelk van te maken voor de kinderen. Later werd de veestapel uitgebreid met een varken en een paar schapen.

Het is wel eens gebeurd dat tijdens een noordwester storm één zo’n kalf in paniek zijn kop door het slaapkamer raam stak en het hele gezin in rep en roer bracht.

Het land aan de oostzijde naast de boerderij en schuin achter de boerderij werd gebruikt om gewassen te verbouwen zoals erwten, bonen, aardappels en voederbieten. Deze producten werden jaarlijks in wisselbouw geteeld, waarna ze in het najaar werden geoogst voor de verkoop. Een klein gedeelte van het land diende als moestuin voor eigen gebruik. Het moge duidelijk zijn dat Kolstein de fysieke lasten van het werk op de boerderij bovenop die van zijn vaste baan had onderschat.  Hij overleed in 1961 op 49 jarige leeftijd aan kanker.

Zintuiglijk feest voor kinderen
Jantien Kolstein, een van de zusjes, woonde vanaf haar derde tot haar zeventiende levensjaar op de boerderij. Ze weet zich nog goed te herinneren dat de boerderij voor de zintuigen een feest was. Zo waren er ’s winters vergezichten over besneeuwde velden en was er bij zwaar weer het gekraak van de woning en de linden.

Het voorjaar bracht de geur van de lente, van hooi en koeienmest. De wilde eenden vlogen door de lucht en grutto’s zochten broedruimte in de weilanden om hun nesten te bouwen. Kinderen gingen kievitseieren rapen,wat toen nog niet aan banden was gelegd door de overheid. De weidse velden waren in de zomermaanden een bloemenpracht en de neefjes en nichtjes van de Kolsteins kwamen maar wat graag logeren op de boerderij als er weer jonge konijntjes waren geboren of als de pasgeboren lammetjes van boer Kamps in het voorjaar in de weide liepen.

De vriendjes en vriendinnetjes van de gereformeerde lagere Groen van Prinstererschool en later van de Dr. Herman Bavinckschool kwamen af en toe op de boerderij spelen. Dat was natuurlijk reuze interessant voor de ‘stadse’ kinderen die gewend waren dat er bij hen thuis elektriciteit en leidingwater was. Maar meestal speelden de kinderen Kolstein onderling. Dat deden ze dan op het erf rondom de boerderij, waar ook de kippen, eenden, geiten en konijnen rondliepen. Speelgoed was er alleen in de vorm van poppen, autootjes en een blokkendoos.

Eens ontsnapten er een paar konijnen uit de hokken met als gevolg dat er na een half jaar een heleboel konijnen rondliepen op het erf en in de tuin. Vaak werden deze gevangen en opgegeten.

Ook liep er een kat rond op de boerderij om de overlast van muizen en ratten zoveel mogelijk terug te dringen.

De kinderen
Nadat broer Geert zijn lagere school had afgerond, ging hij in 1953 op dertienjarige leeftijd werken bij boer Barkema. In dat jaar werd ook zijn jongste broertje, Hendrik Jan, op Elba geboren. Geert deed nog één jaar een opleiding als V.G.L.O.-leerling op de Dr. A. Kuyperschool, terwijl hij in deeltijd werkte. Daarna volgde hij nog een opleiding aan de lagere landbouwschool in Winsum.

Via Adorp en Sauwerd ging Geert in de zomer op de fiets naar school (in totaal 24 kilometer heen en terug). Alleen als het slecht weer was ging hij er met de trein vanaf het Noorderstation in Groningen naar toe. Geert vond het leuk om in deeltijd te werken op de boerderij de Bovenstreek. Het boerenleven sprak hem aan, dit in tegenstelling tot de andere kinderen van het gezin.

Van Piet Vermaas, een vaste kracht van Barkema die in een klein huisje langs de boerenree woonde,  leerde hij Groninger blaarkoppen melken. Het eerste jaar verdiende Geert 45 cent per uur, daarna 65 en nog later 85 cent per uur. Hiervan moest hij ook zijn schoolgeld betalen, wat in die tijd neerkwam op het aankopen van schoolboeken.

De kinderen Jantien, Mattie en Gerard gingen op zondag wel eens naar de zondagsschool in Noorderhoogebrug. En elke zondag ging het hele gezin op de fiets naar de kerk in Zuidwolde.

Later gingen de ouders met hun kinderen naar de De Magnalia Dei kerk aan het Floresplein in Groningen. Toen ze nog in Oosterhoogebrug woonde, aan de Pop Dijkemaweg, waren ze kerkelijk verbonden aan de gereformeerde Oosterkerk aan het Wouter van Doeverenplein.

De paden door de weilanden waren in die tijd niet verhard en ook niet verlicht. Vader Kolstein probeerde dan ook zo goed als hij kon af en toe de paden te verharden met puin. Als er visite kwam, gebeurde dat bij voorkeur bij volle maan. Dan was het niet zo aardedonker en konden de bezoekers het pad door de weilanden in het heldere maanlicht onderscheiden. Desondanks kwamen familie, vrienden en kennissen graag naar Elba. Ze vonden het heel avontuurlijk met al die koeien en paarden, en die hekken waar ze omheen moesten. Overdag kwam de oude boer Geert Kamps (‘snorre’) wel eens langs om onder het genot van een kop koffie uitgebreid te vertellen over ‘vrouger’. Kamps woonde aan de Korreweg. Hij hield vetweiders op zijn velden en af en toe ook schapen.

Tussen het boerderijtje Elba en het Van Starkenborghkanaal lagen sportvelden. Als daar ’s avonds de lichten aangingen voor de sporters, konden de kinderen daarvan profiteren om hun weg te vinden op het pad.

Gerard Kolstein ging wel eens spelen met de zoon van Ter Laan. Ook gingen ze samen naar een buurthuis tegenover de Hoogte in Groningen. Wat toen de Jordaan werd genoemd is nu de Indische buurt. De jongens gingen er heen om te knutselen, figuurzagen en natuurlijk ook voor de sociale contacten. Ze fietsten via de Noordzeebrug (Bedumerbrug), toen nog een hefbrug was, naar de Bedumerweg. De kinderen waren in die tijd grotendeels op zichzelf aangewezen en hadden buiten school om weinig sociale activiteiten of contacten. Na de lagere school ging Gerard naar de mulo (mavo) aan de Star Numanstraat.

Na het overlijden van vader Kolstein bleef  moeder Jantje alleen achter met zes kinderen. Ze leefde van een Weduwen- en wezenuitkering en van de kinderbijslag. Dat was zeker geen vetpot, maar de uitkering werd aangevuld met het geld dat Geert verdiende bij boer  Barkema.

Broer Gerard ging in 1959 op zestienjarige leeftijd naar Eindhoven om er te werken en te studeren. Jannie trouwde in 1960, vlak voor het overlijden van haar vader, en verliet toen ook de boerderij. Geert ging van 1958 tot en met 1960 in militaire dienst, keerde daarna terug naar de boerderij en ging in drieploegendienst werken bij  Aagrunol, een chemische fabriek voor landbouwbestrijdingsmiddelen aan het Winschoterdiep in Groningen.

In 1965 verhuisde moeder Kolstein met de nog thuiswonende kinderen,  Geert,  Jantien, Hendrik Jan en Mattie, naar een bovenwoning in de Johan Willem Frisostraat.

Anno 2013 wonen de kinderen verspreid over het land. Jannie woont in Haren en werkt als vrijwilliger bij Het Groninger Landschap. Geert, wachtmeester- en later opperwachtmeester bij de Rijkspolitie (later de regiopolitie Utrecht), geniet met zijn vrouw, kinderen en kleinkinderen van zijn pensioen en woont in Doorn. Gerard woont in Almere, Mattie in Meedhuizen en Jantien woont in het pittoreske dorpje Twisk in Noord-Holland. Hendrik Jan woont in Houwerzijl.

Het trieste einde van Elba
Op het eind is Elba verhuurd aan een autosloperij die de boerderij en het land gebruikte voor het stallen van oude sloopauto’s. Het gezin Kolstein had huur betaald tot 1 november 1965, maar vóór die datum had boer Barkema de autosloper al toegelaten tot het terrein. Hij begon met het slopen van draagmuren uit de woning om zo meer ruimte te creëren, waardoor de boerderij nog meer een bouwval werd.

Het verdere verval van Elba voltrok zich in rap tempo en trok vandalen aan. Uiteindelijk is de boerderij in de as gelegd door een paar kwajongens. Net als het steenhuis ging dus ook dit stukje geschiedenis op in rook.

Mike Tomale