Boeskoolboer Jacob Laning (lang)

De familie Laning, drie generaties boeskoolboeren (lang)

Kool … en nog eens kool

De Lanings van Oosterseweg 5 brachten hun kolen (witte en rode kool, savooiekool, spitskool en bloemkool) naar Groningen, naar veiling De Eendracht. Deze veiling stond aanvankelijk aan De Eendrachtskade, later aan de Peizerweg. “We brachten iedere week een tot twee wagens kolen naar de veiling, eerst met paard en wagen, later met de tractor. Altijd door het Noorderplantsoen, dat was de kortste weg. Voordat de veiling er was, stond mijn vader (Jan Laning) op de markt van het Zuiderdiep. Hij verkocht daar aan grossiers en winkeliers. Daarnaast leverde mijn vader persoonlijk aan winkeliers.”

Jacob Laning spreekt van zomer- en winterkool. “Zomerkool werd direct verkocht,vanaf het land. Winterkool verkochten we vanuit opslag, vanuit de zogeheten koolschuren. ’s Zomers verbouwden we veel bloemkool, want daar was het meest mee te verdienen. Maar deze kool was tevens het meest arbeidsintensief.” Jacob legt uit: “De eigenlijke kool, het witte deel, wordt omhuld door grote bladeren. Als de zon fel schijnt, krijgt de witte kool een gele kleur. Consumenten vinden die kleur niet leuk, want die denken dan dat de kool bedorven is. Om te voorkomen dat de witte kool geel zou worden ‘knakten’ we de rechtopstaande bladeren om het witte deel af te dekken: om verkleuring van de witte kool te voorkomen. Bloemkool is daarnaast een kool met veel bladeren. De veiling eiste dat de kolen werden aangeleverd zonder blad. In het afsnijden van de bladeren zat behoorlijk wat werk.”

Twee huishoudens aten uit één pot
Grootvader Pieter (1853-1938) woonde aan het Boterdiep. De twee daarop volgende generaties hadden als uitvalsbasis Oosterseweg 5. “Mijn vader Jan Laning (1893-1972) heeft Oosterseweg 5 laten bouwen in 1928-1929.
In 1955 trouwt Jacob met Jacoba Geessiena (Coby) Smit, geboren op 6 februari 1934 in Eelderwolde. Jacobs’ vader die Oosterseweg 6 heeft gekocht, splitst de woning in 6 en 6a. Hij en zijn vrouw gaan op nummer 6 wonen, het kersverse echtpaar betrekt 6a. Broer Pieter blijft bewoner van Oosterseweg 5, het bedrijfspand van de Lanings.

Jan Laning (Jacobs’ vader) verbouwde kool, samen met zijn broer Jacob. De twee kooltelers vormden samen een tweemansbedrijf. Twee huishoudens aten uit één pot. Toen Jan en zijn broer Jacob hun eigen gezinnen hadden gesticht, zijn ze hun eigen weg gegaan. Anders gezegd, het Laning-bedrijf werd in tweeën gesplitst.

Het Jan Laning-deel ging over naar Jacob en zijn vijf jaar oudere broer Pieter (1925-2002). Vele jaren runden ze samen het bedrijf, het bezit was gemeenschappelijk. Een groot deel van hun leven aten de twee huishoudens uit één pot.

Jacob boerde tot zijn 55ste. “Daarna heb ik nog heb ik nog 5 jaar gewerkt bij groothandel Lucas Klamer, tot mijn pensioen. Toen ik bij Lucas Klamer ging werken, bleef mijn broer Pieter doorboeren. Natuurlijk stond ik hem bij. Na mijn afscheid bij Klamer hebben Pieter en ik alles verkocht.”

Terug naar de tweede generatie, naar de broers Jan en Jacob Laning. Jan en Jacob hadden permanent 7 tot 8 arbeiders in dienst. De daaropvolgende generatie kon zich die luxe niet permitteren. “Pieter en ik moesten alles zelf doen. ’s Ochtends om half vijf opstaan en vervolgens de hele dag door.

Jacob werkte constant: op het land, in de schuur. Zijn vrouw Coby onderhield de sociale contacten. Coby was actief in het verenigingsleven en deed veel vrijwilligerswerk. Ze was collectant, zette zich 20 jaar lang in voor het Rode Kruis (Henry Dunant), zat 12 jaar in de kerkraad, was actief in de bibliotheek, hielp mee met het organiseren van muziekuitvoeringen, bazars, etcetera.

Kool en melk
Aanvankelijk verbouwden Jacob en Pieter alleen kool. De twee melkkoeien die ze hadden, leverden producten voor eigen gebruik. “Maar op een gegeven moment kon we met de verbouw van kool niet genoeg verdienen. Om onze inkomens aan te vullen zijn we meer melkkoeien gaan houden, op den duur zo’n 22 tot 23. De melk ging naar zuivelfabriek Lijempf in Winsum.”

Naast melkkoeien hielden Jacob en Pieter ook jongvee: hokkelingen (eenjarige kalveren) en vaarzen. Een vaars is een jonge koe van ongeveer twee jaar die nog niet of voor de eerste maal gekalfd heeft. “Uiteindelijk hadden we zo’n 50 runderen, later zijn er nog wat schapen bijgekomen.”

In het begin hadden Jacob en Pieter 6 hectare eigen grond: “2,5 bunder achter het huis, 1,5 bunder iets verderop aan de Oosterseweg en 2 bunder in Beijum. Stap voor stap kochten ze grond bij en gingen ze land huren. Ten langen leste hadden ze 18 hectare: 9 eigen bezit, de rest huur. De koeien graasden op 13 hectare groenland, 5 hectare werd gebruikt voor de verbouw van kool. “Onze koolgrond in Beijum lag aan de Beijumerweg, schuin tegenover nummer 15. De betonnen brug die daar nog steeds over de sloot ligt, gaf vroeger toegang tot onze koolvelden.”

Vakantie
Toen Jacob naast boeskoolboer ook melkveehouder werd, ging het financieel beter. “Coby en ik gingen toen een week, later zelfs 10 dagen, op vakantie. Dat was altijd tussen het hooien en het oogsten van de bloemkool, een rustige periode in het jaar.” Als ze op vakantie waren, nam mijn broer Pieter de zaken waar. Omgekeerd gebeurde hetzelfde.

Jacob en Coby kampeerden vaak in Duitsland, het liefst aan een rivier: de Moezel, de Neckar, de Wezer. “Eerst hadden we zo’n eenvoudige punttent, daarna een bungalowtent, toen een vouwwagen en uiteindelijk een caravan. Die caravan hebben we 20 jaar gehad.”

Jacob en Coby hadden al vrij snel een auto. Coby herinnert zich: “Ik reed toen ik 24 was, dat moet dus in 1958 zijn geweest. Onze eerste auto was een Opel Olympia. Daarin heb ik heel wat kilometers afgelegd: met familie, voor het verenigingsleven en het vrijwilligerswerk.”

Kleigrond
Jacob groeide op in Zuidwolde, is een echte ‘kleikloet’. “Er zijn verschillende soorten klei,” weet hij, “van licht tot heel zwaar. Het gebied rondom Zuidwolde, Noorderhoogebrug en Beijum bestaat voor een groot deel uit zware klei. Vanouds wordt van zware klei baksteen gebakken.”

Gebieden met zware klei kon je vroeger herkennen aan de baksteenfabrieken. Halverwege Zuidwolde-Noorderhoogebrug, op het terrein van de huidige Hornbach, stond ooit baksteenfabriek Eureka (1917-1969). De klei voor Eureka werd afgegraven bij Noorderhoogebrug. Op de zware klei van Zuidwolde en Beijum startte in de 19e eeuw de boeskoolteelt.

Op de grond, in de grond
Op zeer zware klei kan alleen maar ‘op’ de grond worden geteeld. Vandaar de boeskoolteelt rondom Zuidwolde en Beijum. Kolen komen immers op de grond tot volle wasdom. Kleiaardappelen groeien uit ‘in’ de grond, worden geteeld op lichtere klei.

Coby is geboren en getogen in Eelderwolde, op veengrond. “Daar kunnen veel meer groenten ‘in’ de grond groeien, prei en wortels bijvoorbeeld.” De grondsoort bepaalt ook de structuur van de gewassen. Coby: “Andijvie, sla en spinazie van kleigrond hebben harde, stugge bladeren. Het blad van deze groenten, verbouwd op veengrond, is veel zachter.”

Met de bouw van ‘het nieuwe Beijum’ verloren Jacob en Pieter Laning een stuk grond.“Het geld dat we voor het land kregen was een kleine compensatie, lag ver beneden de waarde. Eigenlijk zijn we onteigend.” Toch blikt Jacob tevreden terug; “Ik heb een mooi en rijk leven gehad. Beter had niet gekund.”

Jaap Ekhart